Quotiëntregel voor logaritmen
De regel controleren met getallen
Laat zien dat $\log_2\left(\dfrac{32}{4}\right) = \log_2 32 - \log_2 4$.
Bereken het linkerlid direct: $\dfrac{32}{4} = 8$ en $2^3 = 8$ = $\log_2 8 = 3$
Bereken elke logaritme in het rechterlid: $2^5 = 32$ en $2^2 = 4$ = $\log_2 32 = 5$, $\log_2 4 = 2$
Trek af: $5 - 2 = 3$ = $3$
Vergelijk beide leden: Linkerlid $3$, rechterlid $3$ = Beide leden zijn gelijk
Answer: Beide leden zijn $3$, dus $\log_2\left(\dfrac{32}{4}\right) = \log_2 32 - \log_2 4$.
Een verschil samenvoegen
Schrijf $\log_3 54 - \log_3 2$ als één logaritme en bereken die.
Controleer of de grondtallen gelijk zijn: Beide logaritmen hebben grondtal $3$ = De quotiëntregel is toepasbaar
Voeg samen tot één logaritme (teller: de eerste term): $\log_3 54 - \log_3 2 = \log_3\left(\dfrac{54}{2}\right)$ = $\log_3 27$
Bereken: $3^3 = 27$ = $\log_3 27 = 3$
Answer: $\log_3 54 - \log_3 2 = \log_3 27 = 3$
Een quotiënt met een variabele uitschrijven
Schrijf $\log_5\left(\dfrac{x}{25}\right)$ uit voor $x > 0$ en vereenvoudig zo ver mogelijk.
Pas de quotiëntregel toe: Teller min noemer: $\log_5\left(\dfrac{x}{25}\right) = \log_5 x - \log_5 25$ = $\log_5 x - \log_5 25$
Bereken het getalgedeelte: $5^2 = 25$ = $\log_5 25 = 2$
Schrijf de vereenvoudigde vorm op: $\log_5 x$ kan niet verder vereenvoudigd worden = $\log_5 x - 2$
Answer: $\log_5\left(\dfrac{x}{25}\right) = \log_5 x - 2$
Quotiëntregel en productregel samen
Schrijf $\log\left(\dfrac{ab}{c}\right)$ uit voor $a, b, c > 0$.
Splits eerst het quotiënt: $\log\left(\dfrac{ab}{c}\right) = \log(ab) - \log c$ = $\log(ab) - \log c$
Splits het product met de productregel: $\log(ab) = \log a + \log b$ = $\log a + \log b - \log c$
Controleer met getallen ($a = 20$, $b = 5$, $c = 10$): $\log\left(\dfrac{100}{10}\right) = \log 10 = 1$ en $\log 20 + \log 5 - \log 10 = \log 100 - 1 = 1$ = Beide geven $1$
Answer: $\log\left(\dfrac{ab}{c}\right) = \log a + \log b - \log c$
Drie logaritmen samenvoegen
Bereken $\log 40 + \log 50 - \log 2$ zonder rekenmachine ($\log$ is de briggse logaritme, met grondtal 10).
Voeg de som samen met de productregel: $\log 40 + \log 50 = \log(40 \cdot 50)$ = $\log 2000$
Voeg het verschil samen met de quotiëntregel: $\log 2000 - \log 2 = \log\left(\dfrac{2000}{2}\right)$ = $\log 1000$
Schrijf $1000$ als macht van $10$: $1000 = 10^3$ = $\log 1000 = 3$
Answer: $\log 40 + \log 50 - \log 2 = \log 1000 = 3$
Mistake: $\dfrac{\log M}{\log N} = \log\left(\dfrac{M}{N}\right)$ schrijven
Why: Een quotiënt van twee logaritmen is niet de logaritme van een quotiënt. Probeer het: $\dfrac{\log 100}{\log 10} = \dfrac{2}{1} = 2$, maar $\log\left(\dfrac{100}{10}\right) = \log 10 = 1$.
Correct: De regel maakt van een deling BINNEN de logaritme een aftrekking: $\log\left(\dfrac{M}{N}\right) = \log M - \log N$. Voor de breuk $\dfrac{\log M}{\log N}$ bestaat zo'n kortere weg niet.
Mistake: $\log(M - N) = \log M - \log N$ schrijven
Why: De regel gaat over een quotiënt binnen de logaritme, niet over een verschil. Probeer het: $\log(100 - 10) = \log 90 \approx 1{,}954$, maar $\log 100 - \log 10 = 1$.
Correct: Er is geen regel die $\log(M - N)$ splitst. Alleen $\log\left(\dfrac{M}{N}\right)$ wordt $\log M - \log N$.
Mistake: In de verkeerde volgorde aftrekken: $\log_b\left(\dfrac{M}{N}\right) = \log_b N - \log_b M$
Why: Aftrekken is niet commutatief, dus de volgorde telt. $\log_2\left(\dfrac{8}{2}\right) = \log_2 4 = 2$, maar $\log_2 2 - \log_2 8 = 1 - 3 = -2$.
Correct: Eerst de teller, min de noemer: $\log_b\left(\dfrac{M}{N}\right) = \log_b M - \log_b N$.
Mistake: $\log\left(\dfrac{M}{NP}\right) = \log M - \log N + \log P$ schrijven
Why: Zowel $N$ als $P$ staan in de noemer, dus worden beide logaritmen afgetrokken. De $+$ behandelt $P$ alsof het in de teller staat.
Correct: $\log\left(\dfrac{M}{NP}\right) = \log M - \log(NP) = \log M - \log N - \log P$. Gebruik haakjes: $\log M - (\log N + \log P)$.
Geluidsniveaus vergelijken in decibel
Het geluidsniveau is $L = 10 \log\left(\dfrac{I}{I_0}\right)$ decibel, met $I$ de intensiteit en $I_0$ een vaste referentie. Volgens de quotiëntregel is het verschil van twee niveaus $10(\log I_A - \log I_B) = 10 \log\left(\dfrac{I_A}{I_B}\right)$: de referentie $I_0$ valt weg.
Een geluid dat 100 keer zo intens is als een ander, is $10 \log 100 = 20$ decibel harder.
Zuurgraad vergelijken met de pH
In de scheikunde geldt $\text{pH} = -\log[H^+]$, met $[H^+]$ de concentratie waterstofionen. Volgens de quotiëntregel is het pH-verschil van twee oplossingen de logaritme van de verhouding van hun concentraties.
Koffie heeft $[H^+] = 10^{-5}$ en zuiver water $10^{-7}$. Het pH-verschil is $\log\left(\dfrac{10^{-5}}{10^{-7}}\right) = \log 100 = 2$ (pH 5 tegenover pH 7).
Aardbevingen vergelijken op de schaal van Richter
De magnitude van Richter is $M = \log\left(\dfrac{A}{A_0}\right)$, met $A$ de amplitude van de grondbeweging en $A_0$ een referentieamplitude. Voor twee aardbevingen gemeten op dezelfde afstand geeft de quotiëntregel $M_1 - M_2 = \log\left(\dfrac{A_1}{A_2}\right)$.
Heeft een aardbeving 10 keer de amplitude van een andere, dan is de magnitude $\log 10 = 1$ hoger.
Quotiëntregel: $\log_b\left(\dfrac{M}{N}\right) = \log_b M - \log_b N$ voor $M, N > 0$
Ze volgt uit de rekenregel voor machten $\dfrac{b^x}{b^y} = b^{x-y}$: bij het delen van machten trek je exponenten af
Uitschrijven splitst de logaritme van een quotiënt in een verschil; samenvoegen maakt van een verschil één logaritme
Eerst de teller: je trekt altijd de logaritme van de noemer af
Met de productregel: $\log\left(\dfrac{ab}{c}\right) = \log a + \log b - \log c$ en $\log\left(\dfrac{a}{bc}\right) = \log a - \log b - \log c$
$\dfrac{\log M}{\log N}$ en $\log(M - N)$ zijn NIET gelijk aan $\log\left(\dfrac{M}{N}\right)$
Q: Moeten beide logaritmen hetzelfde grondtal hebben?
A: Ja. $\log_b M - \log_b N = \log_b\left(\dfrac{M}{N}\right)$ werkt alleen als beide termen hetzelfde grondtal $b$ hebben. Een verschil als $\log_2 8 - \log_3 9$ kun je met deze regel niet samenvoegen tot één logaritme.
Q: Wat gebeurt er als het quotiënt kleiner is dan 1?
A: Dan is de logaritme negatief (bij een grondtal groter dan 1), en de regel laat zien waarom: $\log_2\left(\dfrac{1}{8}\right) = \log_2 1 - \log_2 8 = 0 - 3 = -3$. In het algemeen geldt $\log_b\left(\dfrac{1}{N}\right) = -\log_b N$.
Q: Kan ik $\log\left(\dfrac{x}{x - 2}\right)$ uitschrijven?
A: Ja, voor $x > 2$: $\log x - \log(x - 2)$. Maar $\log(x - 2)$ blijft zoals het is, want er bestaat geen regel voor de logaritme van een verschil.
Q: Waarom heet het de tweelingregel van de productregel?
A: Delen door $N$ is vermenigvuldigen met $\dfrac{1}{N}$, dus $\log\left(\dfrac{M}{N}\right) = \log M + \log\left(\dfrac{1}{N}\right) = \log M - \log N$. Elke stap met de quotiëntregel is eigenlijk een vermomde stap met de productregel.
Quotiëntregel voor logaritmen
1 / 14
Quotiëntregel voor logaritmen
Ontdek waarom de logaritme van een quotiënt een verschil van logaritmen is, en gebruik de regel om uit te schrijven en samen te voegen.