Mathorio
Antwoorden
Breuken optellen met dezelfde noemer
Schrijf bij elke opgave je uitwerking op.
- 1.Wat is ?
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
Tel de tellers op: . De noemer blijft 5. Antwoord:
- 2.Wat is ?
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
, dus . Vereenvoudigd:
- 3.Bereken . Schrijf je antwoord als breuk (bijvoorbeeld 2/9).
Antwoord: 5/7
. De noemer blijft 7. Antwoord:
- 4.Zo eenvoudig mogelijk geschreven is . Welk getal hoort in het hokje?
Antwoord: 2
, dat geeft . Vereenvoudigd: , dus in het hokje hoort 2.
- 5.Los stap voor stap op.
Antwoord: 5/6
- Wat is de noemer van beide breuken? 6
- Tel de tellers op: 2 + 3 = ? 5
- Schrijf de som als breuk boven 6. 5/6
- 6.Een recept heeft kopje meel en kopje suiker nodig. Hoeveel totaal?
- a) kopje
- b) kopje
- c) kopje
- d) kopje
Antwoord: kopje
kopje totaal
- 7.Wat is ?
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
(vereenvoudigd)
- 8.Bereken . Schrijf je antwoord als breuk (bijvoorbeeld 2/3).
Antwoord: 9/10
. Antwoord: (al in de eenvoudigste vorm)
- 9.Wat is ? Schrijf het als gemengd getal in de eenvoudigste vorm, bijvoorbeeld 2 1/4.
Antwoord: 1 1/3
(vereenvoudigd)
- 10.Los stap voor stap op. Geef het vereenvoudigde antwoord.
Antwoord: 1
- Tel de tellers op: 3 + 5 = ? 8
- Schrijf de breuk: 8 boven 8 = ? 8/8
- Waar is 8/8 gelijk aan? 1
- 11.Emma at van een taart. Haar broer at . Hoeveel hebben ze samen gegeten?
Antwoord: 5/8
- Welke breuk at Emma? 2/8
- Welke breuk at haar broer? 3/8
- Tel op: 2/8 + 3/8 = ? 5/8
- 12.Bereken . Schrijf je antwoord als gemengd getal in de eenvoudigste vorm, bijvoorbeeld 2 1/3.
Antwoord: 1 1/4
- 13.De som is een geheel getal. Welk getal?
Antwoord: 1
, dus
- 14.Leo liep 's ochtends km en 's middags km. Hoe ver heeft hij gelopen?
- a) km
- b) km
- c) km
- d) km
Antwoord: km
km
- 15.Tel op en schrijf het resultaat als gemengd getal in de eenvoudigste vorm.
Antwoord: 1 1/3
- Tel de tellers op: 11 + 9 = ? 20
- Schrijf de som 20/15 als gemengd getal (nog niet vereenvoudigen). 1 5/15
- Deel de teller en de noemer van 5/15 door 5. Wat is de nieuwe noemer? 3
- Eindantwoord als gemengd getal in de eenvoudigste vorm? 1 1/3
- 16.Een watertank is voor gevuld. Daarna wordt nog van de tank gevuld. Welk deel van de tank is nu gevuld, in de eenvoudigste vorm?
Antwoord: 3/5
- Hoe vol was de tank aan het begin? 3/20
- Welk deel van de tank kwam erbij? 9/20
- Tel op: 3/20 + 9/20 = ? 12/20
- Deel de teller en de noemer van 12/20 door 4. Wat is de nieuwe noemer? 5
- 17.Tel op. Wat is het antwoord als gemengd getal (bijvoorbeeld 2 1/3)?
Antwoord: 1 2/9
- Tel alle tellers op: 2 + 5 + 4 = ? 11
- Schrijf de breuk boven 9. 11/9
- Zet 11/9 om naar een gemengd getal. 1 2/9
- 18.Maria las maandag van een boek en dinsdag . Welk deel van het boek heeft ze gelezen, in de eenvoudigste vorm?
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
. Teller en noemer delen door 3 geeft . is even groot maar niet vereenvoudigd, en krijg je als je ten onrechte de noemers optelt.