Mathorio
Antwoorden
Goniometrische uitdrukkingen vereenvoudigen
Schrijf bij elke opgave je uitwerking op.
- 1.Welke uitdrukking is gelijk aan ?
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
: de factor valt weg.
- 2.Vereenvoudig .
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
Trek aan beide kanten van de term af: .
- 3.Vereenvoudig . Het resultaat is een getal: welk?
Antwoord: 5
, dus de uitdrukking is .
- 4.Vereenvoudig .
Antwoord:
- In sinus en cosinus: . Welke factor valt weg?
- Wat blijft er over na het wegdelen?
- Welke functie is gelijk aan ?
- 5.Vereenvoudig .
Antwoord: 1
- Schrijf in sinus en cosinus.
- Herschrijf .
- Vermenigvuldig: 1
- 6.Een leerling heeft vereenvoudigd tot . Controleer dit bij . Zoek daarna de juiste vereenvoudigde vorm.
Antwoord:
- Bereken de oorspronkelijke uitdrukking: 0.5
- Bereken het antwoord van de leerling: 0.75
- De waarden verschillen, dus de leerling heeft het fout. De juiste vorm is . Wat is ? 0.5
- 7.Vereenvoudig .
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
.
- 8.Vereenvoudig . Het resultaat is een getal: welk?
Antwoord: 2
en , dus de som is .
- 9.Vereenvoudig .
Antwoord: 1
- Delen door is vermenigvuldigen met . Wat wordt ?
- Wat wordt op dezelfde manier ?
- Wat is ? 1
- 10.Vereenvoudig .
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
.
- 11.De uitdrukking vereenvoudigt tot . Wat is ?
Antwoord: 4
, dus .
- 12.Vereenvoudig en bereken daarna het resultaat bij .
Antwoord:
- Vervang met een Pythagorische identiteit.
- Ontbind als verschil van twee kwadraten.
- Deel weg: het resultaat is . Wat is de waarde bij ? 1.5
- 13.Vereenvoudig en bereken de waarde bij .
Antwoord:
- Haal de gemeenschappelijke factor buiten haakjes.
- Vervang door . De uitdrukking wordt : wat is ? 3
- Bereken als kommagetal. 0.125
- 14.Vereenvoudig .
- a)
- b)
- c)
- d)
Antwoord:
Teller: . Noemer: . Dus .
- 15.Vereenvoudig en bereken het resultaat bij .
Antwoord: 8
. Bij : , dus en de waarde is .
- 16.Vereenvoudig en bereken daarna het resultaat bij .
Antwoord:
- Vervang met een Pythagorische identiteit.
- Ontbind de teller .
- Deel weg: het resultaat is . Bereken het bij . 1
- 17.Vereenvoudig .
Antwoord: 2
- Werk uit.
- . Wat geven de middelste termen en als je beide uitwerkingen optelt? 0
- Wat overblijft: 2
- 18.Vereenvoudig . Het resultaat is een getal: welk?
Antwoord: 1
en , dus het quotiënt is .