Transformaties van goniometrische grafieken

Teken elke sinus- of cosinusfunctie van de vorm y = A sin(B(x - C)) + D: wat elke parameter doet, de juiste volgorde van de transformaties en de methode van de vijf sleutelpunten.

Gevorderd30 minLes

Definitie

Een getransformeerde sinus- of cosinusgrafiek heeft de algemene vorm
y=Asin⁡(B(x−C))+Dofy=Acos⁡(B(x−C))+Dy = A\sin(B(x - C)) + D \quad \text{of} \quad y = A\cos(B(x - C)) + D
(Nederlandse methodes schrijven vaak y=a+bsin⁡(c(x−d))y = a + b\sin(c(x - d)); hier houden we de letters AA, BB, CC en DD aan.) Elk van de vier parameters verandert de basisgrafiek y=sin⁡(x)y = \sin(x) of y=cos⁡(x)y = \cos(x) op precies één manier (in deze les is B>0B > 0):
ParameterWat hij doetKenmerk
AAverticale vermenigvuldiging; bij A<0A < 0 ook spiegeling in de middellijnamplitude =∣A∣= \lvert A \rvert
BBhorizontale samendrukking (B>1B > 1) of uitrekking (B<1B < 1)periode =2πB= \frac{2\pi}{B}
CChorizontale verschuiving: naar rechts als C>0C > 0, naar links als C<0C < 0faseverschuiving =C= C
DDverticale verschuivingmiddellijn y=Dy = D

Volgorde: eerst vermenigvuldigen, dan verschuiven

Binnen de haakjes druk je eerst samen of rek je eerst uit met BB, daarna verschuif je met CC. Buiten de haakjes vermenigvuldig je eerst met AA (en spiegel je als A<0A < 0), daarna verschuif je met DD. **Haal BB altijd eerst buiten haakjes** voordat je de verschuiving afleest: sin⁡(2x−π)=sin⁡(2(x−π2))\sin(2x - \pi) = \sin(2(x - \frac{\pi}{2})), dus de verschuiving is π2\frac{\pi}{2}, niet π\pi.

De methode van de vijf sleutelpunten

  1. 1.Eén periode begint bij x=Cx = C en eindigt bij x=C+periodex = C + \text{periode}.
  2. 2.Verdeel die in vier gelijke stappen: stap=periode4\text{stap} = \frac{\text{periode}}{4}.
  3. 3.Vul de y-waarden in. Sinus: middellijn, maximum, middellijn, minimum, middellijn. Cosinus: maximum, middellijn, minimum, middellijn, maximum. Als A<0A < 0, wissel je maximum en minimum.
  4. 4.Maximum =D+∣A∣= D + |A|, minimum =D−∣A∣= D - |A|, waarde op de middellijn =D= D.
Domein: alle reële getallen. Bereik: [D−∣A∣, D+∣A∣][D - |A|,\ D + |A|].

Probeer het meteen

Wat is de amplitude van y=−4sin⁡(2x)+1y = -4\sin(2x) + 1?

Uitgewerkte voorbeelden

Bepaal voor y=3sin⁡(2(x−π6))−1y = 3\sin(2(x - \frac{\pi}{6})) - 1 de amplitude, de periode, de faseverschuiving, de middellijn en het bereik.
1

Vergelijken met de algemene vorm

Vergelijk met y=Asin⁡(B(x−C))+Dy = A\sin(B(x - C)) + D → A=3, B=2, C=π6, D=−1A = 3,\ B = 2,\ C = \frac{\pi}{6},\ D = -1
2

Amplitude en periode

Amplitude =∣3∣=3= |3| = 3, periode =2π2=π= \frac{2\pi}{2} = \pi → Amplitude 33, periode π\pi
3

Faseverschuiving en middellijn

C=π6>0C = \frac{\pi}{6} > 0, dus verschuiving naar rechts; D=−1D = -1 → π6\frac{\pi}{6} naar rechts, middellijn y=−1y = -1
4

Bereik

[D−∣A∣, D+∣A∣]=[−1−3, −1+3][D - |A|,\ D + |A|] = [-1 - 3,\ -1 + 3] → [−4,2][-4, 2]

Veelgemaakte fouten

De faseverschuiving van y=sin⁡(2x−π)y = \sin(2x - \pi) aflezen als π\pi

Waarom het fout is: De verschuiving is het getal dat van xx zelf wordt afgetrokken, niet van 2x2x. BB vermenigvuldigt alles tussen de haakjes en drukt dus ook de verschuiving samen.

Correct: Haal eerst BB buiten haakjes: sin⁡(2(x−π2))\sin(2(x - \frac{\pi}{2})), dus de verschuiving is π2\frac{\pi}{2} naar rechts.

y=cos⁡(x+π3)y = \cos(x + \frac{\pi}{3}) naar rechts verschuiven

Waarom het fout is: In de algemene vorm staat x−Cx - C. Hier is x+π3=x−(−π3)x + \frac{\pi}{3} = x - (-\frac{\pi}{3}), dus C=−π3C = -\frac{\pi}{3} is negatief.

Correct: Een plusteken binnen de haakjes betekent een verschuiving naar links: π3\frac{\pi}{3} naar links.

De sleutelpunten bij x=0x = 0 laten beginnen of stappen van een hele periode nemen

Waarom het fout is: Na een faseverschuiving begint de periode niet meer bij 00, en de vijf punten moeten ÉÉN periode in vier gelijke delen verdelen.

Correct: Begin bij x=Cx = C en neem stappen van periode4\frac{\text{periode}}{4}. Bij periode π\pi is de stap π4\frac{\pi}{4}.

De gewone volgorde van maximum en minimum houden als A<0A < 0

Waarom het fout is: Een negatieve AA spiegelt de golf in de middellijn: elk maximum wordt een minimum en omgekeerd.

Correct: Voor y=−2sin⁡(x)y = -2\sin(x) is het patroon middellijn, minimum, middellijn, maximum, middellijn. De amplitude blijft 22.

Interactieve visualisatie

Grafiek van de functie

y = sin(x)

Opdracht 1 van 6

Uitrekken en optillen

Verschuif de schuifjes tot jouw grafiek precies op de gestippelde doelgrafiek ligt.

Hoe dichtbij

0 van 6 opgelost

  • A: groter
  • B: goed
  • C: goed
  • D: groter
-2π-π0π2π-4-2024xy

Tik op de grafiek of beweeg er met de muis over om waarden af te lezen.

y = A·sin(B(x − C)) + DUitrekken en optillen

Grafiek van de functie

0π/2π3π/22π-2-101234xy12345

Tik op de grafiek of beweeg er met de muis over om waarden af te lezen.

Tik op een naam om de grafiek te tonen of te verbergen.

Waardetabel

x0,7853981,57082,356193,141593,92699
sin(x)0,70710710,707107-1,02068 × 10^-11-0,707107
2·sin(2(x − π/4)) + 1131-11
Middellijn y = 111111

Interactieve sandbox

Interactieve grafiek

-3π-2π-π0π2π3π-4-2024xy

Tik op de grafiek of beweeg er met de muis over om waarden af te lezen.

Probeer deze voorbeelden:

2sin(2(x - pi/4)) + 1

Expressiecalculator

Probeer deze:

Geschiedenis

Nog geen berekeningen

Oefenproblemen

18 opgaven
Opgave 1 van 18
Makkelijk
Wat is de amplitude van y=−4sin⁡(2x)+1y = -4\sin(2x) + 1?

Waarom het belangrijk is

Bijna elk zich herhalend proces in natuur en techniek wordt beschreven met een getransformeerde sinus of cosinus, en de vier parameters hebben altijd een concrete betekenis:
  • Reuzenrad: de straal is de amplitude, de hoogte van het middelpunt is de middellijn (evenwichtslijn), één rondje is de periode
  • Getijden: de waterdiepte stijgt en daalt ongeveer elke 12 uur rond een gemiddelde diepte
  • Daglicht: de daglengte schommelt rond 12 uur met een periode van 365 dagen
  • Geluid en stroom: de amplitude is het volume of de spanning, de periode bepaalt de toonhoogte of de frequentie
Als je een vergelijking in een minuut kunt omzetten in een schets, lees je de hoogste en laagste waarden en de momenten waarop ze voorkomen direct uit de formule af. Dat is precies wat ingenieurs, oceanografen en klimaatwetenschappers met deze modellen doen.

Toepassingen in de echte wereld

Hoogte in een reuzenrad

De hoogte van een bakje in een draaiend reuzenrad is een getransformeerde cosinus: het middelpunt van het rad geeft de middellijn en de straal geeft de amplitude.

Voorbeeld:

Een rad met straal 20 m, waarvan het middelpunt 22 m boven de grond ligt, draait elke 30 minuten één keer rond. Een bakje dat onderaan begint, zit na tt minuten op hoogte h(t)=−20cos⁡(π15t)+22h(t) = -20\cos(\frac{\pi}{15}t) + 22 meter, en de periode is 2ππ/15=30\frac{2\pi}{\pi/15} = 30.

1Probeer het zelf

De hoogte van het bakje is h(t)=−20cos⁡(π15t)+22h(t) = -20\cos(\frac{\pi}{15}t) + 22 meter, met tt in minuten.

Hoe hoog boven de grond is het bakje op zijn hoogste punt (in meter)?

Stap 1: Schrijf de wiskundige uitdrukking

Hoogste punt = middellijn + amplitude:

Getijden in een haven

Havenmeesters voorspellen de waterdiepte met een sinusmodel met een periode van ongeveer 12 uur, zodat schepen weten wanneer ze kunnen binnenvaren.

Voorbeeld:

De diepte d(t)=1,5sin⁡(π6(t−3))+4d(t) = 1{,}5\sin(\frac{\pi}{6}(t - 3)) + 4 meter, tt uur na middernacht, heeft middellijn 4 m, amplitude 1,5 m en periode 2ππ/6=12\frac{2\pi}{\pi/6} = 12 uur. De diepte schommelt tussen 2,5 m en 5,5 m.

2Probeer het zelf

Een groot schip heeft hoogwater nodig. De diepte is d(t)=1,5sin⁡(π6(t−3))+4d(t) = 1{,}5\sin(\frac{\pi}{6}(t - 3)) + 4 meter, tt uur na middernacht.

Op welk tijdstip tt (in uren na middernacht) is het eerste hoogwater na t=3t = 3?

Stap 1: Schrijf de wiskundige uitdrukking

Begin van de periode plus een kwart periode:

Uren daglicht

Het aantal uren daglicht volgt over het jaar een sinusgolf met een periode van 365 dagen. De middellijn ligt op 12 uur, de daglengte bij de equinoxen.

Voorbeeld:

In een stad in Noord-Europa geldt L(t)=4sin⁡(2π365(t−80))+12L(t) = 4\sin(\frac{2\pi}{365}(t - 80)) + 12 uur, waarbij tt de dag van het jaar is. Dag 80 (rond 21 maart) is de lente-equinox, en de daglengte schommelt tussen 8 en 16 uur.

3Probeer het zelf

De daglengte is L(t)=4sin⁡(2π365(t−80))+12L(t) = 4\sin(\frac{2\pi}{365}(t - 80)) + 12 uur, waarbij tt de dag van het jaar is.

Op welke dag van het jaar is het daglicht het langst? Rond af op een hele dag.

Stap 1: Schrijf de wiskundige uitdrukking

Begin van de periode plus een kwart periode, afgerond:

Belangrijke punten

  • 1In y=Asin⁡(B(x−C))+Dy = A\sin(B(x - C)) + D is ∣A∣|A| de amplitude, 2πB\frac{2\pi}{B} de periode, CC de faseverschuiving en y=Dy = D de middellijn
  • 2Eerst vermenigvuldigen, dan verschuiven: binnen de haakjes BB vóór CC, buiten de haakjes AA vóór DD
  • 3Haal BB altijd buiten haakjes voordat je de faseverschuiving afleest: sin⁡(2x−π)=sin⁡(2(x−π2))\sin(2x - \pi) = \sin(2(x - \frac{\pi}{2}))
  • 4x−Cx - C verschuift CC naar rechts, x+Cx + C verschuift CC naar links
  • 5Vijf sleutelpunten: begin bij x=Cx = C, stap =periode4= \frac{\text{periode}}{4}. Sinus: middellijn, maximum, middellijn, minimum, middellijn; cosinus: maximum, middellijn, minimum, middellijn, maximum; A<0A < 0 wisselt maximum en minimum
  • 6Het domein is alle reële getallen en het bereik is [D−∣A∣, D+∣A∣][D - |A|,\ D + |A|]

Veelgestelde vragen

Omdat B=2B = 2 alles tussen de haakjes vermenigvuldigt. Haal hem buiten haakjes: sin⁡(2x−π)=sin⁡(2(x−π2))\sin(2x - \pi) = \sin(2(x - \frac{\pi}{2})). De periode begint waar het deel tussen haakjes 00 is, bij x=π2x = \frac{\pi}{2}, dus de verschuiving is π2\frac{\pi}{2}.
Omdat B=2B = 2 alles tussen de haakjes vermenigvuldigt. Haal hem buiten haakjes: sin⁡(2x−π)=sin⁡(2(x−π2))\sin(2x - \pi) = \sin(2(x - \frac{\pi}{2})). De periode begint waar het deel tussen haakjes 00 is, bij x=π2x = \frac{\pi}{2}, dus de verschuiving is π2\frac{\pi}{2}.
Ja, bij een verschuiving en een vermenigvuldiging in dezelfde richting. Als je sin⁡(x)\sin(x) π2\frac{\pi}{2} naar rechts verschuift en DAARNA met factor 22 samendrukt, krijg je sin⁡(2x−π2)=sin⁡(2(x−π4))\sin(2x - \frac{\pi}{2}) = \sin(2(x - \frac{\pi}{4})), een verschuiving van maar π4\frac{\pi}{4}. Horizontale en verticale veranderingen beïnvloeden elkaar niet, dus die twee groepen mag je in willekeurige volgorde doen.
Ja. Begin bij x=Cx = C en neem stappen van periode4\frac{\text{periode}}{4}, net als bij de sinus. Alleen het patroon van de y-waarden verandert: de cosinus gaat maximum, middellijn, minimum, middellijn, maximum (of omgekeerd als A<0A < 0).
Herschrijf de functie eerst. De sinus is oneven, sin⁡(−θ)=−sin⁡(θ)\sin(-\theta) = -\sin(\theta), dus sin⁡(−2x)=−sin⁡(2x)\sin(-2x) = -\sin(2x). De cosinus is even, cos⁡(−θ)=cos⁡(θ)\cos(-\theta) = \cos(\theta), dus cos⁡(−2x)=cos⁡(2x)\cos(-2x) = \cos(2x). Daarna is B>0B > 0 en werkt de methode zoals altijd.

Woordenlijst

Amplitude
Afstand van de middellijn tot een maximum of minimum: ∣A∣|A|
Periode
Horizontale lengte van één volledige golf: 2πB\frac{2\pi}{B}
Faseverschuiving
Horizontale verschuiving van de grafiek: CC in x−Cx - C (naar rechts als hij positief is, naar links als hij negatief is)
Middellijn
De horizontale lijn y=Dy = D precies tussen maximum en minimum (ook evenwichtslijn genoemd)
Sleutelpunten
De vijf punten die één periode in vier gelijke stappen verdelen: begin, kwart, helft, driekwart, eind
Spiegeling
Het omklappen van de golf in de middellijn, veroorzaakt door een negatieve AA

Formulekaart

Algemene vorm

y=Asin⁡(B(x−C))+Dy = A\sin(B(x - C)) + D

Dezelfde letters voor de cosinus: $y = A\cos(B(x - C)) + D$

Amplitude

∣A∣|A|

Verticale vermenigvuldiging; $A < 0$ spiegelt de golf ook

Periode

2πB\frac{2\pi}{B}

Lengte van één golf

Faseverschuiving en middellijn

CC en y=Dy = D

Naar rechts als $C > 0$, naar links als $C < 0$; omhoog als $D > 0$, omlaag als $D < 0$

Stap tussen de sleutelpunten

periode4\frac{\text{periode}}{4}

Begin bij $x = C$ en tel de stap vier keer op

Bereik

[D−∣A∣, D+∣A∣][D - |A|,\ D + |A|]

Van het minimum tot het maximum

Uitdaging van vandaagEén opgave, drie pogingen

Meer over dit onderwerp